Lasmodel volgens CBFEM
IDEA StatiCa heeft een unieke methode in zijn solver, de Component-based Finite Element Method (CBFEM). Het lasmodel dat in CBFEM wordt gebruikt, wordt beschreven en geverifieerd aan de hand van verschillende staalontwerpnormen. De weerstand en vervormingscapaciteit worden ook vergeleken met de belangrijkste experimentele onderzoeksprogramma's.
Er zijn verschillende opties voor het benaderen van lassen in numerieke modellen. De grote vervormingen maken de mechanische analyse complex en het is mogelijk om verschillende netten te gebruiken, verschillende kinetische en kinematische variabelen en constitutieve modellen te gebruiken. Over het algemeen worden verschillende soorten geometrische 2D- en 3D-modellen toegepast en daarmee eindige elementen met hun toepasbaarheid voor verschillende nauwkeurigheidsniveaus. Het meest toegepaste materiaalmodel is het gangbare plasticiteitsmodel gebaseerd op het von Mises vloei criterium. In het ontwerpmodel wordt geen rekening gehouden met restspanning en vervorming door lassen.
The load is transmitted through force-deformation constraints based on the Lagrangian formulation to the opposite plate. The connection is called multi-point constraint (MPC) and relates the finite element nodes of one plate edge to another edge or surface. The finite element nodes are not connected directly. The advantage of this approach is the ability to connect meshes with different densities. The constraint allows to model midline surface of the connected plates with the offset, which respects the real weld configuration and throat thickness. The load distribution in the weld is derived from the MPC, so the stresses are calculated in the throat section. This is important for the stress distribution in the plate under the weld and for modeling of T-stubs.
De belasting wordt via krachtvervormings beperkingen op basis van de Lagrangian formulering overgebracht op de aanliggende plaat. De verbinding wordt multi-point constraint (MPC) genoemd en relateert de eindige-elementknooppunten van de ene plaatrand aan een andere rand of oppervlak. De eindige-elementenknooppunten zijn niet rechtstreeks met elkaar verbonden. Het voordeel van deze benadering is de mogelijkheid om deze EE-Netten met verschillende dichtheden te verbinden. Het is nu mogelijk om het middellijnoppervlak van de verbonden platen te modelleren met de offset, waarbij de werkelijke lasconfiguratie en lasdikte intact blijven. De last-verdeling in de las is afgeleid van de MPC, dus de spanningen worden berekend in de keeldoorsnede. Het is belangrijk voor de spanningsverdeling in de plaat onder de las en voor het modelleren van T-stukken.




